Linkshandigen in het nieuws alles voor 1999

Linkshandig in een rechtshandige wereld
Kurkentrekkers, telefoons met draaischijf, deksels van potjes: bij al deze voorwerpen moeten polsbewegingen van links naar rechts worden gemaakt. Voor linkshandigen is dit lastiger dan voor rechtshandigen. Ook scharen, vulpennen en snaarinstrumenten werden tot voor kort uitsluitend ontworpen voor de rechtshandigen van deze wereld. Op deze site kan de gediscrimineerde linkshandige tips vinden voor 'coping in a right-biased world'. De maker van de site is onderzoeker op het gebied van 'hersenlateralisatie'; het idee dat de hersenhelften ieder in verschillende functies gespecialiseerd zijn. Zo zijn taal en spraak gelocaliseerd in de linkerhersenhelft. Tenminste, bij het merendeel van de mensen: schattingen lopen uiteen van 70 tot 95 procent.
Paul Broca, de ontdekker van het spraakgebied, suggereerde in de vorige eeuw dat de hand waarmee je schrijft of andere precieze bewegingen uitvoert, een indicatie zou kunnen zijn voor de localisatie van taal in de hersenen. Zo zou spraak bij rechtshandigen in de linkerhersenhelft gelocaliseerd zijn, en bij linkshandigen rechts. Zo simpel ligt het echter niet, weten we inmiddels. Bij de meerderheid van de linkshandigen zit taal ook aan de linkerkant. Om de onderzoeker te helpen een tipje van de sluier op te lichten, kan de Internetter meedoen aan een vragenlijst op de site, waarbij men voor allerlei activiteiten kan aangeven of men dit voornamelijk met de linker- of de rechterhand doet. Voor de proefpersoon zelf levert dit nog het verbazingwekkende inzicht op dat onze voorkeur om handelingen met links of met rechts uit te voeren tot in de details vastligt, van de vinger waarmee je de toetsen van een rekenmachine bedient, tot het been waarmee je dagelijks als eerste in je broek stapt.
Psychologie Magazine Uitgave: juli 1998
---------------------------------------
Apekool
Aan linkshandigen worden veel curieuze eigenschappen toegekend. Maar gaan ze ook eerder dood? Wie vroeger linkshandig was, had het zwaar op school. Het schrijven met de rechterhand werd er desnoods ingeramd, want ook fysiologische linkse voorkeuren zijn lange tijd verdacht geweest. Maar hoewel de vermeende onbeholpenheid van linkshandigen bijna geen rol meer speelt in de beeldvorming, blijft deze bevolkingsgroep de gemoederen bezig houden. Van oudsher wordt linkshandigen, zo'n tien procent van de mensheid, een veelheid van kwaliteiten toegekend. Waren ze niet door de duivel bezeten, dan toch zeker uiterst creatief of wiskundig aangelegd. Begin jaren negentig kreeg dit rijtje kenmerken een sinistere aanvulling. Linkshandigen gaan eerder dood. De psycholoog Coren vond toen een statistisch verband tussen linkshandigheid en een vroege dood. Linkshandige CaliforniŽrs zouden maar liefst negen jaar inleveren op de rest van de bevolking. Aanleiding voor dit onderzoek was een verschijnsel dat al door veel onderzoekers werd waargenomen: linkshandigen verdwijnen langzaam uit de bevolkingsstatistieken. Interessant, vindt dr.ir. J.F.M. Molenbroek van de sectie fysieke ergonomie van Industrieel Ontwerpen. ,,Bij jonge mensen is nog vijftien procent linkshandig, maar bij de vijftigjarigen is dat al gezakt tot vijf procent. Met het verlopen van de leeftijd, neemt het aandeel van de linkshandigen duidelijk af.'' In het kielzog van Corens onderzoek werden tal van verklaringen voor dit verschijnsel gegeven. Eťn van de meer tot de verbeelding sprekende vermoedens, is dat linkshandigen vaker een dodelijk ongeluk krijgen. Auto's, geweren en kettingzagen zijn immers alleen in rechtshandige versies te krijgen. Linkshandigen zouden daardoor wel eens in de problemen kunnen raken. ,,Dit is een wereld voor rechtshandigen, en dat is voor linkshandigen natuurlijk lastig. Bij cd-spelers zit het knopje om de lade open te schuiven bijvoorbeeld meestal rechts'', bevestigt Molenbroek. ,,Maar dat linkshandigen vaker fatale ongelukken krijgen, valt uit Corens onderzoek eigenlijk niet te bewijzen.'' Ook op de uitkomst dat linkshandigen eerder overlijden valt echter wel wat af te dingen. Molenbroek: ,,Coren heeft van een grote groep mensen de sterftecijfers bepaald, en achteraf gekeken of ze linkshandig zijn. Maar die aanpak wordt door anderen aangevochten. Eigenlijk zou je per leeftijdsgroep moeten nagaan of mensen linkshandig zijn. Het enige wat we met zekerheid weten is dat het aantal linkshandigen afneemt met de leeftijd.'' Oorzaak: onbekend. Dat wisten we dus al, maar het blijft intrigeren.
Tu Deklta 6 november 1997
---------------------------------------
Dichotomanie

Links en rechts in de psychologie
Niet alleen in de politiek, maar ook in de psychologie speelt de links-rechtstegenstelling een rol van betekenis. In de psychologie is het onderscheid tussen linker- en rechterhand of de linker- en rechterhersenhelft 'van nature' gegeven. Opmerkelijk is echter dat bij het interpreteren van dat onderscheid, sommige onderzoekers op hol slaan en zich laten leiden door quasi-politieke inzichten.

Mensen hebben een linker- en een rechterhand. Die handen zijn elkaars spiegelbeeld. Zodra het echter om hun functie gaat zijn er markante verschillen: de overgrote meerderheid van de mensen is nu eenmaal meer bedreven met de rechter- dan met de linkerhand. Het feit dat onze handen in structureel opzicht gelijk zijn, maar in functioneel opzicht sterk van elkaar verschillen heeft altijd al tot de verbeelding van onderzoekers gesproken. Vooral aan het einde van de vorige eeuw werd druk gespeculeerd over de betekenis van handvoorkeuren. Berucht zijn de wilde ideeŽn van de Italiaanse criminoloog Cesare Lombroso. Volgens hem duidde rechtshandigheid op een goed functionerend zenuwstelsel.

Een gebrek aan rechtshandigheid was een teken van degeneratie. Om zijn mening te staven kwam Lombroso met dubieuze cijfers die moesten aantonen dat een linkerhandvoorkeur vaker voorkwam bij criminelen en krankzinnigen.

In dit verband mag ook Wilhelm Fliess niet onvermeld blijven. Deze Berlijnse arts en intimus van Freud meende dat een linkerhandvoorkeur wijst op een gemankeerde seksuele ontwikkeling. 'Verwijfde mannen zijn altijd helemaal of gedeeltelijk linkshandig,' schreef Fliess. Freud maakte Fliess attent op het geval van Leonardo Da Vinci. Die was immers linkshandig en van amoureuze relaties met vrouwen was in zijn geval niets bekend.

Voor menige wetenschapper uit de vorige eeuw stond linkshandigheid gelijk aan maatschappelijke deviantie. Maar ook in onze tijd bestaat er nog steeds de neiging om linkshandigheid te associŽren met ongunstige eigenschappen. Hoogstens zijn de associaties subtieler en past hun inhoud meer bij de moderne preoccupatie met gezondheid. Het is niet eens zo heel lang geleden bijvoorbeeld dat twee Canadese onderzoekers beweerden dat linkshandigen ongezonder zijn en gemiddeld negen jaren korter leven dan rechtshandigen. Ofschoon de bewijsvoering van deze onderzoekers te wensen overliet, werden hun conclusies breed uitgemeten in de pers.

Kakhand
Waar komt toch het idee vandaan dat linkshandigheid naar een of ander defect verwijst? In het alledaagse spraakgebruik liggen de vooroordelen tegen links en linkshandigheid voor het oprapen. We spreken bijvoorbeeld over linke soep, twee linkerhanden hebben en een slinkse zet. Ons 'sinister' stamt af van het Latijnse equivalent voor 'links'. Het Engelse 'left' is etymologisch verwant aan het Keltische 'lyft', wat 'zwak' betekent. Het Franse 'gauche' duikt in het Engels als 'gawky' op, wat voor 'onnozel' staat. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Ofschoon deze alledaagse associaties een inspirerende bijdrage zullen leveren aan de vooroordelen die sommige wetenschappers koesteren tegen linkshandigheid, behoeven ze zelf ook een verklaring. Die werd al in 1909 door Robert Herz geleverd. Herz, een briljante leerling van de grote socioloog Emile Durkheim, wees erop dat rechtshandigheid in alle culturen als norm geldt. Omdat reeds bij de overgrote meerderheid van onze prehistorische voorouders de rechterhand sneller en krachtiger was dan de linker, kon in de loop van de tijd de links-rechtsdimensie tot een quasi-religieuze tegenstelling uitgroeien. Rechts en de rechter hand werden het symbool van het reine en het positieve. Links en de linkerhand werden eerder verbonden met het onreine.

Herz haalde antropologische studies aan waaruit bleek dat veel volkeren de rechterhand gebruiken voor het groeten en het eten en de linker voor het beroeren van de genitaliŽn en de anus. Iets van die arbeidsverdeling vinden we terug in Schotland, waar de linkerhand door het leven gaat als de 'kakhand'. Het waren uiteindelijk linkshandige individuen die het slachtoffer werden van de negatieve symboliek die aan de linkerhand 'kleeft'. Zij waren (en zijn) de 'bad guys', terwijl de rechtshandigen zichzelf portretteren als de 'good (of 'healthy') guys'.

Antropologisch onderzoek na Herz heeft overigens laten zien dat er wel degelijk culturele verschillen bestaan in de mate waarin linkshandigheid wordt getolereerd. Als regel geldt dat onder jagende volkeren zoals de InuÔt linkshandigheid meer voorkomt en ook meer geaccepteerd wordt. Als verklaring hiervoor is geopperd dat een bezigheid als jagen efficiŽnter verloopt als naast de rechter- ook de linkerhand intensief wordt gebruikt. Dit zou tot een meer positieve grondhouding ten opzichte van linkshandigheid hebben geleid. In agrarische gemeenschappen komt linkshandigheid minder voor en staan er scherpere sancties op het gebruik van de linkerhand voor bepaalde activiteiten (bijvoorbeeld eten en groeten). Een en ander wordt in verband gebracht met het feit dat dergelijke gemeenschappen een meer hiŽrarchisch georganiseerde machtsstructuur kennen dan jagende volkeren.

Linksdraaiende volkeren
Rond 1865 speelde zich in de Parijse Acadťmie de Mťdicine en de Sociťtť d'Anthropologie een reeks van felle debatten af. Inzet was het idee dat typisch menselijke eigenschappen als de spraak in het brein gelokaliseerd konden worden. Conservatieve wetenschappers waren sterk gekant tegen dat idee. Als hieraan werd toegegeven dan zou de menselijke onsterfelijkheid en spiritualiteit op het spel komen te staan, een consequentie die moeilijk te rijmen viel met de katholieke geloofsleer die deze conservatieve wetenschappers aanhingen. Meer liberaal georiŽnteerde wetenschappers stelden zich daarentegen op het standpunt dat het brein psychologie produceert, net zoals bijvoorbeeld het hart bloed pompt . Het debat eindigde in een klinkende overwinning voor de laatsten.

Het was de Parijse arts Paul Broca die de liberalen naar de overwinning leidde. Broca onderzocht het brein van overleden patiŽnten die tijdens hun leven met een taalstoornis (afasie) ten gevolge van een hersenbloeding te kampen hadden gehad. Hij constateerde dat de taalstoornis verband hield met een beschadiging van het voorste gedeelte van de linkerhersenhelft. Bijgevolg moest dat gedeelte verantwoordelijk zijn voor het normale spraakgebruik, aldus Broca.

Deze conclusies gelden tegenwoordig als geaccepteerde onderdelen van het wetenschappelijke kennisbestand. Maar Broca ging verder. Hij stelde dat er een verband bestond tussen het spraakcentrum in de linkerhersenhelft en rechtshandigheid. Hij baseerde zich daarbij op de correcte aanname dat, wegens de gekruiste verbindingen in het zenuwstelsel, de linkerhersenhelft zorg draagt voor de rechterhand en de rechterhersenhelft voor de linker. Broca suggereerde nu dat bij de meeste mensen de linkerhersenhelft tijdens de ontwikkeling sneller rijpt. Zodoende zouden hogere psychische functies als spraak en fijne motoriek zich het eerst nestelen in die linkerhersenhelft. Dat zou, vanwege die gekruiste verbindingen, tot uiting komen in een rechterhandvoorkeur. Omgekeerd zou een linkerhandvoorkeur wijzen op een spraakcentrum in de rechterhersenhelft.

Broca stond met zijn ideeŽn aan het begin van een Franse obsessie met links-rechtstegenstellingen. Die obsessie nam een voorspelbare wending: de positieve eigenschappen van de rechterhand en rechtshandigen werden ook van toepassing verklaard op de linkerhersenhelft. De negatieve eigenschappen van de linkerhand en linkshandigen werden verbonden met de rechterhersenhelft. Aldus werd de linkerhersenhelft de rationele, mannelijke en geciviliseerde helft en de rechterhersenhelft de impulsieve, vrouwelijke en wilde helft.

De verpersoonlijking van deze obsessie met de links-rechts dichotomie was GaŽtan Delaunay, die tijdens de Frans-Duitse oorlog in 1870 dienst deed als frontarts. Het verschijnsel dat bij soldaten met onderkoelingsverschijnselen de linkervoet eerder bevroren raakt dan de rechter, bracht hem op het spoor van de links-rechtsdimensie. Delaunay wijdde later een invloedrijke dissertatie aan dit thema. Daarin werden twee stellingen verdedigd. De eerste luidde dat asymmetrie alleen van superioriteit getuigt als ze tot uiting komt in een rechterhandvoorkeur en een dominantie van de linkerhersenhelft over de rechterhersenhelft. De tweede stelling was dat het ontbreken van asymmetrie of een omgekeerde asymmetrie (b.v. linkshandigheid) op een inferieure constitutie wijst.

Delaunay liet er geen misverstand over bestaan wie zo'n inferieure consitutie hadden: arbeiders, vrouwen, kinderen, krankzinnigen, negers - en Duitsers. Hij merkte op dat het niet toevallig was dat in Frankrijk bij het volksdansen wendingen naar rechts worden gemaakt. Volkeren die wat lager op de evolutionaire trap staan, zoals Japanners en Turken, plegen bij het dansen bij voorkeur naar links te draaien. De in evolutionair opzicht laagste groep, negers, draaien bij het dansen helemaal niet, aldus Delaunay.

Gespleten brein
Het is vanuit ons perspectief makkelijk om Delaunays ideeŽn te ridiculiseren. In zijn tijd was Delaunay echter een gerespecteerd wetenschapper. Zijn geval illustreert de neiging van laat-negentiende-eeuwse wetenschappers om allerlei sociale vooroordelen te projecteren op de links-rechtstegenstelling. Was vůůr 1870 de theorievorming over de samenhang tussen spraak en de linkerhemisfeer vooral een aangelegenheid van liberalen, na 1870 raakt dit thema hoe langer hoe meer in handen van conservatieve en nationalistische onderzoekers. In haar monumentale werk Medicine, Mind and the Double Brain (1987) beschrijft de Amerikaanse historica Anne Harrington de maatschappelijke achtergrond van deze verandering. Het Frans nationalisme had een gevoelige klap opgelopen door de Duitse overwinning van 1870. Bovendien raakte Frankrijk daarna in een maatschappelijke crisis verwikkeld die te maken had met een toenemende industrialisatie, urbanisatie en kolonialisme. Misdaad, suÔcide, alcoholisme en andere tekenen van maatschappelijke desintegratie waren de begeleidingsverschijnselen hiervan. Het was tegen de achtergrond van dit maatschappelijk decor dat wetenschappers de links-rechtstegenstelling aangrepen om de Franse natie te verheerlijken en sociale randgroepen te diskwalificeren.

Na de eeuwwisseling raakten de Franse speculaties over de links-rechtsdimensie langzaam aan in vergetelheid. Die periode duurde tot aan het begin van de jaren '60, toen Amerikaanse neurochirurgen besloten om bij sommige epileptische patiŽnten de verbinding tussen de linker- en de rechterhersenhelft (het corpus callosum) door te snijden. De redenering achter deze 'split brain' operatie was simpel: als de verbinding tussen beide hersenhelften is doorgesneden, dan kan een epileptische aanval zich niet meer uitbreiden van de ene naar de andere helft. De ingreep sorteerde een gunstig effect; de ernst van de epilepsie nam duidelijk af.

Tegenover dit medisch voordeel stond evenwel een psychisch nadeel. Het doorsnijden van de verbinding tussen de twee hersenhelften leidde ertoe dat beide helften een eigen leven gingen leiden. Veelzeggend in dit verband is het geval van de 'split brain' patiŽnt die bij het naar bed gaan zich tegelijkertijd met de rechterhand uit- en met de linkerhand weer aankleedde. Het was de psycholoog Roger Sperry die dit verschijnsel in beter gecontroleerde experimenten ging bestuderen en daar later ook de Nobelprijs voor in ontvangst mocht nemen. In een van die experimenten werd bijvoorbeeld een rechtshandige 'split brain' patiŽnt geblinddoekt en kreeg hij een voorwerp in zijn rechterhand gelegd. De patiŽnt kon dan het voorwerp goed benoemen: de rechterhand staat immers onder controle van de talige, linkerhersenhelft.

Hoe anders was de situatie wanneer de patiŽnt (in geblinddoekte staat) een object in zijn linkerhand kreeg aangeboden. Dan was hij niet in staat om dat object te benoemen; de linkerhand staat onder controle van de rechterhersenhelft, maar die had vanwege de operatie geen toegang meer tot de taalcentra in de linkerhelft. De patiŽnt kon met zijn linkerhand het object echter wel goed natekenen. De voor de hand liggende conclusie was dat hier in ťťn patiŽnt simultaan twee verschillende bewustzijnstoestanden aanwezig waren: een pratende linkerhemisfeer die het object niet kent en een tekenende rechterhemisfeer die het object wťl kent.

Bij tijd en wijle krijgen speculaties over de linker- en de rechterhersenhelft een politieke lading. Een sterk voorbeeld biedt het debat over de onderwijsprestaties van de Australische aboriginals. Binnen het op Westerse leest geschoeide onderwijs presteren veel aboriginals onder de maat. Dat komt, zo zegt hun belangenvereniging, omdat bij aboriginals de rechterhemisfeer dominant is over de linkerhemisfeer, terwijl voor de Westerse wereld en het schoolsysteem dat zij heeft voortgebracht het tegenovergestelde geldt. De aboriginals eisen daarom een onderwijscurriculum dat georiŽnteerd is op de rechterhersenhelft.

NaÔef aan veel 19de-eeuwse maar ook eigentijdse speculaties over de linker- versus de rechterhersenhelft is de aanname dat bij de doorsnee mens de ene helft meer of beter zou functioneren dan de andere helft. Bij gezonde mensen met een intacte verbinding tussen de linker- en de rechterhersenhelft zijn beide helften voortdurend actief. Van een ongebruikt potentieel in een van beide helften is geen sprake. En het is al helemaal fictie om te beweren dat men met een simpele training een verwaarloosde helft zou kunnen reactiveren. Bovendien staat vast dat als er al psychologische verschillen tussen de linker- en de rechterhersenhelft bestaan, die eerder gradueel dan absoluut van aard zijn. Zo blijkt de rechterhersenhelft over een rudimentair taalvermogen te beschikken. Alles bij elkaar betekent dat een forse aanslag op het idee dat tekortkomingen in onze onderwijssysteem, onze bedrijfsvoering of onze denkstijl zijn te herleiden tot links-rechtstegenstellingen.

De antropoloog R. Needham heeft erop gewezen dat in elke cultuur een fundamentele neiging bestaat om belangrijke waarden te articuleren aan de hand van dichtomieŽn. De consequentie hiervan is dat de polen in die dichtomieŽn niet gelijkwaardig zijn; in tegendeel, een pool is steeds positief en de ander negatief. Het is het heilige versus het profane, het mooie versus het lelijke, het witte versus het zwarte enzovoort. De links-rechtsdimensie in de psychologie is niet ongevoelig gebleken voor de verleiding van onderzoekers om polen te voorzien van een waardering. De geschiedenis leert echter dat die waarderingen sterk worden ingegeven door de tijdgeest en zodoende in hoge mate arbitrair zijn. De dichotomania die sommige onderzoekers aan de dag leggen wanneer het om de linker- versus de rechterhersenhelft gaat, weerspiegelt vaker de maatschappelijke opvattingen van die onderzoekers dan feitelijke wetenschappelijke vooruitgang.

Harald Merckelbach is thans hoogleraar pyschologie aan de Universiteit Maastricht. Ronald van Gelder is bewegingswetenschapper en redacteur van het maandblad Psychologie.

Skepter 8(2), juni 1995
---------------------------------------
Linkshandigheid

Linkshandigheid. Ė In 1995 was er in de ĎGezondheidsenquÍteí van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een vraag naar linkshandigheid opgenomen. In 1985, 10 jaar eerder, had men hier ook al naar gevraagd. In het Maandbericht gezondheidsstatistiek (december 1996:4-8) worden de antwoorden met elkaar vergeleken. Ook wordt aandacht besteed aan de mogelijke verklaringen van linkshandigheid en aan de gevolgen ervan.

Ruim 10 van de Nederlandse bevolking blijkt linkshandig te zijn. In 1985 was dit volgens de ĎGezondheidsenquÍteí 10,7 en in 1995 10,6. Er zijn meer linkshandige mannen dan vrouwen: 11,2 tegenover 9,9 in 1995. Het aandeel linkshandigen blijkt bij oudere leeftijdscategorieŽn kleiner dan bij jongere. Het is zelfs zo dat bij vůůr 1955 geboren personen met hetzelfde geboortejaar het percentage linkshandigen in 1995 significant lager was dan in 1985 (tabel). Vergelijkbare resultaten zijn de laatste jaren uit enkele andere (buitenlandse) onderzoeken naar voren gekomen. Sommigen denken dat dit wijst op een kortere levensverwachting voor linkshandigen.

Bij de gezondheidsenquÍte moeten alle leden van een huishouden de vragenlijst beantwoorden, met een maximum van 4 personen. Daardoor is het mogelijk ook iets te zeggen over de eventuele erfelijkheid van linkshandigheid. Het blijkt dat bij 1 linkshandige ouder ongeveer 20 van de kinderen linkshandig is; bij 2 linkshandige ouders is dat zelfs 40. Verder heeft een linkshandige moeder een grotere invloed dan de vader Ė en dan vooral op de dochter (die heeft 25 kans op linkshandigheid bij een linkshandige moeder en 19 bij een linkshandige vader). Het geboorteseizoen blijkt ook van invloed, want in de winter worden 12 meer linkshandigen geboren dan in de zomer.

Omdat linkshandigheid nogal eens in verband wordt gebracht met ongezondheid is nagegaan welke waardering de geÔnterviewden voor de eigen gezondheidstoestand hadden. Op deze manier kon het verband tussen linkshandigheid en ongezondheid niet bevestigd worden. Integendeel, meer linkshandigen dan rechtshandigen beoordeelden de eigen gezondheid als goed tot zeer goed: 68 tegen 63.

Bij de bespreking van het CBS-onderzoek naar linkshandigheid concludeert rapporteur C.G.van der Wulp dat de resultaten voor het merendeel bevestigen wat al bekend was. Belangwekkend is wel het gegeven dat het aantal linkshandigen met de leeftijd afneemt. Dit vormt een ondersteuning van een theorie die een paar jaar geleden naar voren geschoven werd door de Amerikaanse onderzoekers Halpern en Coren (Psychol Bull 1991;109:90-106). Bij een steekproef van overledenen in 2 Californische gemeenten ontdekten zij dat rechtshandigen een gemiddelde leeftijd bereikten van 75 jaar en dat linkshandigen bijna 9 jaar korter leefden! Als verklaring hiervoor opperden zij dat linkshandigen in een rechtshandige maatschappij een grotere kans hebben op ongelukken. Dat zou ook de oorzaak zijn van het feit dat het percentage linkshandigen onder oudere leeftijdscategorieŽn afneemt. Tegen deze laatste verklaring is ingebracht dat het afnemende percentage gewoon het gevolg zou zijn van de gedwongen omvorming die in vroeger jaren werd toegepast; linkshandigen moesten met alle geweld rechts leren schrijven. Uit de nu gepubliceerde CBS-cijfers blijkt echter dat deze theorie niet de verklaring kan vormen van het afnemende aantal linkshandigen in oudere leeftijdsklassen. Het gaat hier immers om dezelfde geboortecohorten in 1985 en 1995 en het lijkt uiterst onwaarschijnlijk dat een deel van deze (oudere) mensen ineens van linkshandig rechtshandig is geworden. In het CBS-rapport wordt overigens benadrukt dat het te ver gaat om op grond van deze gegevens de conclusie te trekken dat linkshandigen inderdaad eerder overlijden dan rechtshandigen. Daarvoor zou de ĎGezondheidsenquÍteí een Ďte grof instrumentí zijn.

Ned Tijdschr Geneeskd. 1997
---------------------------------------
Mozes stotterde en was linkshandig

Mozes stotterde en was linkshandig H.C. Walvoort
De medische wederwaardigheden van belangrijke personen uit de geschiedenis oefenen een bepaalde aantrekkingskracht uit. Net of de personen tastbaarder, menselijker worden als wij weten met welke kwalen zij moesten leven. Enkele jaren geleden publiceerde Levin een artikel waarin hij trachtte duidelijk te maken dat Mozes een hazelip moet hebben gehad,1 mede omdat hij van zichzelf zegt: Ď... want ik ben zwaar (íonbesnedenĎ; ref.) van mond en zwaar van tongí,2 en ĎIk ben immers slecht ter taleí.

In hetzelfde tijdschrift betoogt Garfinkel nu dat Mozes stotterde, doordat hij als kleuter een emotioneel zeer stressvolle gebeurtenis meemaakte:4 volgens een rabbijnse legende zou de 3-jarige Mozes op een onbewaakt ogenblik de kroon van de Egyptische farao (bij wie hij werd opgevoed) zomaar op zijn hoofd hebben gezet. De spanning was te snijden Ė was dit een voorteken dat hij later de farao van de troon zou stoten? Een experiment moest uitkomst brengen. Men hield het kind een kom met gloeiende kooltjes en een kom met zwarte edelstenen voor. Hij greep een kooltje en brandde zijn vingers. Maar hij was kennelijk onschuldig. Hij stak zijn hand in zijn mond en brandde daarbij ook zijn lippen door resten van het kooltje. Dit gaf niet alleen algemene consternatie, maar veroorzaakte ook een spraakgebrek op oudere leeftijd, vindt Garfinkel. Ook was Mozes volgens hem linkshandig. Eigenlijk had hij namelijk een koel edelsteentje willen pakken, maar de engel GabriŽl duwde zijn hand weg. Zoals wij allen weten, waakt GabriŽl over 's mensen linkerkant (MichaŽl over de rechterkant).

Overigens liep het met de farao toch slecht af

Ned Tijdschr Geneeskd. 1995
---------------------------------------

www.linkshandig.info (c) 1999-2019

met recht links-handig